top of page
Zoeken

Wat als een kind niet wil slapen omdat het nog niet moe genoeg is

"Hij moet nu echt slapen. Hij is al twee uur wakker."
"Volgens het schema zou ze nu een dutje moeten doen."
"Als we hem niet op tijd in bed leggen, wordt hij oververmoeid."

Het zijn uitspraken die veel ouders van jonge kinderen herkennen. Online zijn talloze schema's te vinden die aangeven hoelang een baby wakker zou mogen zijn, hoeveel dutjes een kind nodig heeft en op welk moment die idealiter plaatsvinden.


Die schema's kunnen houvast bieden

Maar ze kunnen ook de indruk wekken dat slaap iets is wat op een bepaald tijdstip zou moeten gebeuren.


Alsof een kind om 9 uur kan slapen omdat het 9 uur is.

De biologie van slaap werkt complexer.


Een kind valt niet in slaap omdat een schema aangeeft dat het tijd is om te slapen. Slaap ontstaat vanuit een samenspel van biologische processen, ontwikkeling en context.

Een van de belangrijkste mechanismen daarin is slaapdruk.

En net daar wordt het interessant.

✦ Want wat als een kind dat moeilijk in slaap valt niet noodzakelijk méér hulp nodig heeft om te slapen?

✦ Wat als het lichaam op dat moment simpelweg nog niet voldoende klaar is voor slaap?


Slaapdruk: wat gebeurt er in het lichaam?

Ons slaap-waakritme wordt onder andere gereguleerd door twee processen die voortdurend met elkaar in interactie gaan.

  1. Het eerste is het homeostatische slaapproces, vaak aangeduid als Process S.

    Eenvoudig gezegd: tijdens het wakker zijn bouwt de behoefte aan slaap geleidelijk op. Dit noemen we slaapdruk. Wanneer we slapen, neemt die druk opnieuw af.

  2. Het tweede mechanisme is het circadiane systeem, of Process C. Onze interne biologische klok. Dit systeem helpt bepalen wanneer het lichaam biologisch meer geneigd is tot slapen of juist tot wakker zijn en wordt onder andere beïnvloed door de licht-donkercyclus.


Slaap ontstaat dus niet door één mechanisme.

Het is de interactie tussen beide processen die mee bepaalt wanneer iemand gemakkelijk wakker blijft en wanneer slaap waarschijnlijker wordt.

Ook bij baby's en jonge kinderen zijn deze processen actief, maar ze zijn nog volop in ontwikkeling.

Recent onderzoek naar slaapregulatie tijdens de eerste levensjaren laat zien dat de dynamiek van slaapdruk verandert naarmate kinderen ouder worden. Bij jonge baby's lijkt homeostatische slaapdruk relatief snel op te bouwen én weer af te nemen, terwijl het circadiane systeem in de eerste levensfase nog minder sterk georganiseerd is. Naarmate kinderen zich ontwikkelen, veranderen deze processen en consolideert slaap zich geleidelijk meer in langere slaapperioden.


Dat helpt verklaren waarom een pasgeborene verspreid over dag en nacht slaapt, een oudere baby meerdere dutjes doet, een peuter uiteindelijk naar één dutje evolueert en veel oudere kinderen overdag helemaal niet meer hoeven te slapen.


Slaap verandert omdat het brein verandert.

Niet omdat een kalender zegt dat een kind vanaf een bepaalde leeftijd plots een ander schema moet volgen.


Maar hoeveel slaapdruk heeft een kind nodig?

Daar bestaat geen universeel antwoord op.

En dat is precies waar het gebruik van rigide slaapschema's problematisch kan worden.


Kinderen verschillen onderling in hun slaapbehoefte. Ook slaap-waakpatronen en het moment waarop dutjes verdwijnen, laten aanzienlijke individuele variatie zien.

Twee kinderen van exact dezelfde leeftijd hoeven daarom niet noodzakelijk op exact hetzelfde moment klaar te zijn voor slaap.

Stel: Een kind van 8 maanden wordt 's ochtends wakker om 6u30 en wordt standaard om 9 uur opnieuw in bed gelegd.

Niet omdat het kind op dat moment duidelijk behoefte lijkt te hebben aan slaap, maar omdat dit het afgesproken slaapmoment is.

Of omdat een online schema aangeeft dat een kind van deze leeftijd na een bepaalde periode wakker zijn opnieuw zou moeten slapen.


Maar het kind slaapt niet.

  • Er wordt geprobeerd.

  • Gewiegd.

  • Getroost.

  • Opnieuw neergelegd.

  • Misschien wordt de kamer donkerder gemaakt.

Maar de slaap komt niet.


De automatische conclusie kan dan zijn:

"Dit kind kan moeilijk inslapen."

Maar er is ook een andere hypothese die we moeten durven onderzoeken:

Wat als dit kind op dat moment simpelweg nog onvoldoende slaapdruk heeft opgebouwd?

Dan proberen we mogelijk een slaapprobleem op te lossen dat in essentie geen probleem met slapen is.

Het probleem kan dan liggen in de mismatch tussen het moment waarop wij slaap aanbieden en het moment waarop het biologische systeem van het kind voldoende klaar is voor slaap.


Een kind kan niet slapen op commando

Dat klinkt vanzelfsprekend.

Toch organiseren we het dagelijkse leven van baby's soms alsof dat wel zo is.

  • We berekenen wakkertijden.

  • We plannen dutjes.

  • We proberen slaapmomenten te verlengen.

  • En wanneer een kind niet slaapt op het moment waarop wij verwachten dat het zou moeten slapen, zoeken we naar technieken om het inslapen alsnog mogelijk te maken.


Maar slaap is geen gedrag dat we rechtstreeks kunnen afdwingen.

  • We kunnen de omstandigheden rondom slaap beïnvloeden.

  • We kunnen veiligheid bieden.

  • We kunnen nabijheid bieden.

  • We kunnen ondersteunen bij regulatie.

  • We kunnen rekening houden met licht, geluid en context.

Maar uiteindelijk moet er voldoende biologische behoefte aan slaap aanwezig zijn.

Je kunt slaap begeleiden. Je kunt slaap niet creëren wanneer het biologische systeem nog onvoldoende klaar is voor slaap.

Is elk teken van vermoeidheid dan een signaal om een kind in bed te leggen?

Ook hier is nuance nodig.

Gapen, wegkijken, in de ogen wrijven, huilen of hangerig gedrag worden vaak geïnterpreteerd als universele signalen dat een kind onmiddellijk moet slapen.

Maar gedrag heeft nooit slechts één mogelijke betekenis.


  • Een baby kan wegkijken omdat de interactie even intens is.

  • Een kind kan huilen omdat het honger heeft, nabijheid zoekt of gefrustreerd is.

  • Een baby kan aan de ogen wrijven zonder dat dit automatisch betekent dat het lichaam op dat moment voldoende slaapdruk heeft opgebouwd voor een volwaardig slaapmoment.


Slaapsignalen zijn dus waardevolle informatie.

Maar ze zijn geen stopwatch.

Daarom kijk ik liever naar het volledige plaatje.

  • Hoe heeft het kind de afgelopen 24 uur geslapen?

  • Hoe laat werd het wakker?

  • Hoe verliep de nacht?

  • Hoe lang en hoe laat waren eerdere dutjes?

  • Hoe gedraagt het kind zich tijdens de wakkere periode?

  • Wanneer valt het doorgaans gemakkelijk in slaap?

  • Hoe ziet het dagverloop eruit?

  • Wat gebeurt er wanneer slaap iets later wordt aangeboden?

En vooral:

Wat vertelt dit specifieke kind ons?


Wakker zijn mag ook écht wakker zijn

Wanneer we over slaap praten, focussen we vaak vooral op wat er in de slaapkamer gebeurt.

Maar een gezond slaap-waakritme wordt niet alleen 's nachts opgebouwd.

Ook de dag doet ertoe.

Een jonge baby of een jong kind ontwikkelt zich door actief in interactie te zijn met de wereld.

  • Daglicht.

  • Beweging.

  • Buiten zijn.

  • Gezichten zien.

  • Stemmen horen.

  • Spelen.

  • Aanraking.

  • Nieuwe omgevingen ontdekken.

  • Sociale interactie.

  • Motorische activiteit.

Al die ervaringen vormen samen een rijk aanbod aan sensorische input.


Dat betekent niet dat een kind voortdurend maximaal geprikkeld moet worden. Meer prikkels zijn niet automatisch beter en kinderen verschillen in wat zij op een bepaald moment aankunnen.

Het betekent wél dat we niet vanuit angst voor 'overprikkeling' het volledige dagleven hoeven te reduceren tot een stille, donkere en prikkelarme omgeving.

Een kind mag deelnemen aan het gewone leven.

  • Een wandeling maken.

  • Mee naar buiten gaan.

  • Op de grond spelen.

  • Andere mensen zien.

  • De omgeving ontdekken.

  • Bewegen.

  • Licht ervaren.

  • Rust én activiteit mogen elkaar afwisselen.

Vanuit slaapbiologisch perspectief is vooral de combinatie van een duidelijke dag-nachtcontext, activiteit tijdens wakkere periodes en voldoende gelegenheid om slaapdruk op te bouwen relevant.

Wakker zijn mag dus ook écht wakker zijn.


Van 'oververmoeid' naar nieuwsgierig observeren

Een veelgehoorde angst is dat een kind dat niet snel genoeg naar bed wordt gebracht 'oververmoeid' raakt en daardoor uiteindelijk helemaal niet meer kan slapen.

In de praktijk kunnen kinderen aan het einde van een lange of intensieve dag absoluut huilerig, ontregeld of moeilijker te begeleiden zijn. Die ervaring van ouders is reëel.


Maar het is belangrijk om niet automatisch elk moeilijk slaapmoment te verklaren vanuit één mechanisme dat we 'oververmoeidheid' noemen.

Huilen, onrust en moeilijk inslapen kunnen verschillende oorzaken hebben.

Daarom is het klinisch interessanter om nieuwsgierig te blijven.

  • Is er voldoende slaapdruk?

  • Past het slaapmoment bij het circadiane ritme van dit kind?

  • Was er eerder op de dag veel of weinig slaap?

  • Hoe verliep de dag?

  • Is het kind hongerig?

  • Is er lichamelijk ongemak?

  • Is er behoefte aan nabijheid of co-regulatie?

  • Speelt ontwikkeling een rol?

  • Is de omgeving passend?

  • En hoe gaat het eigenlijk met de ouders?

Dat is een fundamenteel andere manier van kijken.

We vertrekken niet vanuit: "Dit kind moet slapen. Hoe krijgen we dat voor elkaar?"
Maar vanuit: "Welke factoren beïnvloeden op dit moment het vermogen van dit kind om tot slaap te komen?"

Terug naar het kind van 8 maanden

Laten we terugkeren naar het voorbeeld.

Een kind van 8 maanden wordt bij de opvang standaard om 9 uur en om 12.30 uur in bed gelegd.

Maar het slaapt moeilijk of niet.

In plaats van automatisch meer in te zetten op slaaptechnieken, zou ik eerst willen observeren.

  • Wat gebeurt er als we het vaste tijdstip tijdelijk loslaten?

  • Wanneer ontstaan signalen die, binnen het volledige plaatje, wijzen op een toenemende slaapbehoefte?

  • Wanneer valt het kind spontaan gemakkelijker in slaap?

  • Hoeveel tijd brengt het kind daadwerkelijk slapend door?

  • En wat gebeurt er tijdens de wakkere periodes?

  • Krijgt het kind voldoende gelegenheid om te bewegen, te spelen, buiten te zijn, daglicht te ervaren en deel te nemen aan sociale interactie?

Vervolgens kunnen ouders en opvang samen zoeken naar een ritme dat niet uitsluitend gebaseerd is op wat een kind van 8 maanden volgens een online schema 'zou moeten' doen, maar dat rekening houdt met het individuele kind.

Misschien blijkt 9 uur inderdaad een passend slaapmoment.

Misschien blijkt 9.45 uur beter te werken.

Of misschien varieert dat van dag tot dag, afhankelijk van de nacht en het tijdstip van ontwaken.

Het doel is niet om structuur volledig los te laten.

Het doel is om structuur niet te verwarren met rigiditeit.


Wat betekent dit voor professionals?

Voor professionals die gezinnen begeleiden bij slaapvragen vraagt dit om een verschuiving in klinisch redeneren.

Een leeftijdsspecifiek slaapschema kan informatie geven over wat gemiddeld voorkomt in een populatie.

Maar een gemiddelde is geen voorschrift voor een individueel kind.

Wanneer een kind structureel niet slaapt op het moment waarop slaap wordt aangeboden, is dat relevante informatie.

In plaats van onmiddellijk te zoeken naar manieren om het kind tóch te laten slapen, kunnen we ons afvragen:

1. Ontwikkeling: Past het verwachte slaappatroon bij de ontwikkelingsfase én de individuele slaapbehoefte van dit kind?

2. Regulatie: Hoe verloopt de overgang van wakker zijn naar slaap? Is er voldoende slaapdruk? Welke ondersteuning heeft het kind nodig om tot rust te komen?

3. Verbinding: Voelt het kind zich voldoende veilig en ondersteund? Is er ruimte voor nabijheid en co-regulatie wanneer dat nodig is?

4. Context: Hoe ziet het volledige dag- en nachtritme eruit? Welke rol spelen opvang, licht, activiteit, sensorische input, voeding en de omgeving?

5. Ouderdraagkracht: Wat is haalbaar voor dit gezin? Welke verwachtingen dragen ouders mee? En hoeveel druk ervaren zij om hun kind volgens een bepaald schema te laten slapen?


Dat is de kern van The Sleep Code®.

Niet één variabele isoleren.

Maar het volledige systeem proberen te begrijpen.


Misschien is 'niet willen slapen' soms waardevolle informatie

Wanneer een kind consequent niet slaapt wanneer wij slaap aanbieden, vertelt dat ons iets.

Niet noodzakelijk dat het kind een slaapprobleem heeft.

Niet noodzakelijk dat ouders iets verkeerd doen.

En ook niet noodzakelijk dat het kind moet leren om beter in slaap te vallen.

Misschien vertelt het ons simpelweg:

"Mijn lichaam is nog niet klaar om te slapen."

En misschien begint goede slaapondersteuning daarom niet bij het vinden van de perfecte wakkertijd.

  • Maar bij observeren.

  • Bij nieuwsgierig blijven.

  • Bij begrijpen hoe slaap biologisch gereguleerd wordt.

  • En bij het durven loslaten van de gedachte dat ieder kind van dezelfde leeftijd op hetzelfde moment zou moeten slapen.

Want uiteindelijk kent een online slaapschema het kind niet.

  • Het kent de nacht die eraan voorafging niet.

  • Het kent de ontwikkeling van het kind niet.

  • Het kent de context niet.

  • Het weet niet hoeveel slaapdruk er op dit moment is opgebouwd.

  • Het kind zelf geeft ons die informatie.


Onze taak is niet om een kind aan te passen aan het schema.

Onze taak is om goed genoeg te kijken om te begrijpen wat dit individuele kind nodig heeft.


Bronnen

  • Borbély, A.A. & Achermann, P. (1999). Sleep homeostasis and models of sleep regulation. Journal of Biological Rhythms, 14(6), 557–568.

  • Jenni, O.G. & LeBourgeois, M.K. (2006). Understanding sleep-wake behavior and sleep disorders in children: the value of a model. Current Opinion in Psychiatry, 19(3), 282–287.

  • Bathory, E. & Tomopoulos, S. (2017). Sleep regulation, physiology and development, sleep duration and patterns, and sleep hygiene in infants, toddlers, and preschool-age children. Current Problems in Pediatric and Adolescent Health Care, 47(2), 29–42.

  • Webb, L. et al. (2024). Mapping the physiological changes in sleep regulation across infancy and young childhood. PLOS Computational Biology, 20(10), e1012541.

  • Spencer, R.M.C. et al. (2022). Contributions of memory and brain development to the bioregulation of naps and nap transitions in early childhood.

  • Staton, S. et al. (2020/2022). Many naps, one nap, none: A systematic review and meta-analysis of napping patterns in children 0–12 years.

  • Whittingham, K. & Douglas, P. (2014). Optimizing parent-infant sleep from birth to 6 months: a new paradigm. Infant Mental Health Journal, 35(6), 614–623.

  • Ball, H.L., Douglas, P.S., Kulasinghe, K., Whittingham, K. & Hill, P. (2018). The Possums Infant Sleep Program: parents' perspectives on a novel parent-infant sleep intervention in Australia. Sleep Health, 4(6), 519–526.

  • Douglas, P.S. et al. Neuroprotective Developmental Care / Possums Sleep Program – theoretisch en klinisch kader rond responsieve zorg, slaapregulatie en contextuele ondersteuning van ouder-kind slaap.

 
 
 

Opmerkingen


DE BABYSLAAPCOACH

THE SLEEP CODE® BABY- & KINDERSLAAPCOACH

© Copyright - 2026 - Lise Dullaerts - Alle rechten voorbehouden

Artevelde hogeschool
vives hogeschool
Leerkracht en docent
expert in slaap bij jonge kinderen
opleiding tot slaapcoach
masterclass
slapen in verbinding
Opleiding slaapcoach
Babyslaaapcoach opleiding
Kinderslaap

 

  • opleiding baby- en kinderslaapcoach

  • kinderslaapcoach opleiding

  • opleiding slaapcoach

  • slaapcoach opleiding voor zorgverleners

bottom of page