“We hebben alles al geprobeerd.”
- lise Dullaerts
- 5 aug
- 7 minuten om te lezen
Waarom dat gevoel heel echt is en waarom het toch bijna nooit helemaal waar is...

“We hebben echt álles al geprobeerd.”
Het is een zin die ik vaak hoor wanneer ouders hulp zoeken rond slaap. En meestal geloof ik hen meteen.
Ze hebben een vroeger bedtijdstip geprobeerd.
Een later bedtijdstip.
Wakkertijden bijgehouden.
Dutjes ingekort, verlengd of geschrapt.
Ze hebben gewiegd, naast het bed gezeten, de kamer verlaten, opnieuw binnengegaan, meer getroost, minder getroost en verschillende slaaproutines uitgeprobeerd.
Ondertussen hebben ze waarschijnlijk tientallen websites, boeken, podcasts en sociale media geraadpleegd.
Dus wanneer ouders zeggen:
“We hebben alles geprobeerd.”
betekent dat meestal niet dat ze niet openstaan voor iets anders.
Het betekent:
“We hebben ontzettend hard gezocht naar iets dat werkt, maar niets lijkt het probleem écht te veranderen.”
En precies daar zit een belangrijk verschil.
Want misschien hebben ouders inderdaad bijna alles geprobeerd wat ze konden vinden.
Maar vaak gebeurde dat binnen hetzelfde denkkader.
Veel slaapadvies verandert de techniek, maar niet de hypothese
Wie online zoekt naar slaapproblemen bij baby's en jonge kinderen, komt vaak dezelfde soorten adviezen tegen:
gebruik leeftijdsadequate wakkertijden
volg een vast dagschema
beperk of verschuif dutjes
vervroeg de bedtijd
bouw slaapassociaties af
leer een kind zelfstandig inslapen
gebruik een bepaalde troostmethode
zorg voor een voorspelbaar slaapritueel.
Sommige van die adviezen kunnen absoluut nuttig zijn. Een consistente bedtijdroutine kan bijvoorbeeld bijdragen aan voorspelbaarheid en is geassocieerd met gunstige slaapuitkomsten bij jonge kinderen Maar een hulpmiddel is nog geen verklaring.
Een kind dat vaak wakker wordt, hoeft niet automatisch te moeten “leren” opnieuw zelfstandig in slaap te vallen. Een kind dat protesteert bij bedtijd is niet automatisch oververmoeid. En een moeilijke nacht betekent niet noodzakelijk dat het dutje verkeerd lag.
Slaap is het resultaat van verschillende processen die elkaar beïnvloeden: biologische slaapregulatie, circadiane ritmes, ontwikkeling, temperament, gezondheid, sensorische behoeften, regulatie, context en ouder-kindinteractie
Soms proberen we dus vijf verschillende oplossingen voor dezelfde veronderstelde oorzaak.
Een kind ligt bijvoorbeeld iedere avond lang wakker.
Eerst wordt de bedtijd vervroegd = geen verschil.
Dan wordt het dutje ingekort = nog steeds geen verschil.
Daarna wordt het avondritueel aangepast en vervolgens een andere troostmethode geprobeerd.
Maar wat als de oorspronkelijke hypothese niet klopt?
Wat als een kind eenvoudigweg nog onvoldoende slaapdruk heeft opgebouwd?
Wat als zijn biologische slaapmoment later ligt?
Wat als de spanning die ondertussen rond bedtijd is ontstaan het inslapen juist moeilijker maakt?
Dan kunnen ouders eindeloos technieken blijven veranderen zonder de factor aan te pakken die het probleem werkelijk mee in stand houdt. Dat is geen gebrek aan inzet.
Het betekent alleen dat we misschien anders moeten leren kijken.
Maar ook goede informatie is niet altijd gemakkelijk toepasbaar
Tegelijkertijd bestaat er vandaag heel veel waardevolle informatie over responsief en ontwikkelingsgericht ouderschap.
Ouders lezen:
“Volg je kind.”
“Blijf responsief.”
“Verbind eerst.”
“Co-reguleer.”
“Kijk naar de behoefte achter het gedrag.”
Allemaal waardevolle uitgangspunten.
Maar dan is het 20.47 uur - een peuter vraagt voor de vijfde keer om water - hij wil nog één knuffel - nog één boekje - hij begint te huilen zodra mama naar de deur loopt - de ouder is zelf moe, moet morgen vroeg opstaan en heeft misschien nog werk liggen.
En plots wordt:
“Blijf responsief.”
een behoorlijk ingewikkeld advies.
Weten wat responsiviteit betekent is niet hetzelfde als het kunnen toepassen
Daar zit volgens mij één van de grootste hiaten tussen theorie en praktijk.
Je kunt perfect weten dat emoties er mogen zijn en toch instinctief proberen het huilen zo snel mogelijk te stoppen.
Je kunt weten dat kinderen co-regulatie nodig hebben en zelf zo gespannen zijn dat je lichaam iets anders communiceert dan je woorden.
Je kunt weten dat grenzen en verbinding naast elkaar kunnen bestaan en toch twijfelen:
Moet ik opnieuw naar binnen?
Moet ik blijven zitten?
Maak ik het erger wanneer ik reageer?
Ben ik nu responsief of geef ik toe?
Responsiviteit betekent namelijk niet dat je ieder verzoek van een kind moet uitvoeren.
Het betekent ook niet dat een kind nooit mag huilen.
En het betekent zeker niet dat ouders ieder ongemak moeten wegnemen.
Responsiviteit gaat over waarnemen, interpreteren en vervolgens passend reageren.
En dat vraagt meer dan theoretische kennis - het vraagt oefening, bewustzijn en soms begeleiding.
Niet alleen kijken naar gedrag, maar naar de interactie
Stel dat een kind iedere avond begint te huilen zodra een ouder de slaapkamer wil verlaten.
Aan de oppervlakte zien we één gedrag:
een kind dat huilt wanneer mama vertrekt.
Maar onder hetzelfde gedrag kunnen heel verschillende processen zitten.
Misschien is het kind nog onvoldoende moe.
Misschien is afscheid nemen momenteel moeilijk.
Misschien was er die dag weinig ruimte voor echte één-op-éénverbinding.
Misschien komt spanning pas naar boven wanneer alles 's avonds stilvalt.
Misschien heeft het kind ervaren dat huilen ervoor zorgt dat de interactie langer doorgaat.
Misschien vindt de ouder huilen zo moeilijk dat er iedere avond opnieuw wordt onderhandeld.
Vaak spelen meerdere factoren tegelijk.
De vraag wordt dan niet uitsluitend:
“Hoe zorgen we ervoor dat het huilen stopt?”
maar:
“Wat gebeurt er eigenlijk in deze interactie?”
Dat opent veel meer mogelijkheden.
Bewust ouderschap betekent ook naar jezelf kijken
Hier sluit het gedachtegoed rond conscious parenting van klinisch psycholoog Dr. Shefali Tsabary mooi bij aan.
De centrale vraag wordt niet alleen:
“Hoe krijg ik mijn kind zover dat het anders reageert?”
maar ook:
“Wat gebeurt er in mij wanneer mijn kind dit doet?”
Waarom maakt huilen mij zo onrustig?
Waarom voelt het alsof ik iets verkeerd doe wanneer mijn kind niet slaapt?
Waarom vind ik het moeilijk wanneer mijn kind boos wordt nadat ik een grens stel?
Welke verwachtingen heb ik eigenlijk over hoe slapen zou moeten verlopen?
Tsabary's werk is vooral een klinisch en filosofisch raamwerk en geen afzonderlijk empirisch bewezen behandelprotocol. De onderliggende principes sluiten echter aan bij onderzoek naar mindful parenting: bewust aanwezig zijn in de interactie, emoties kunnen herkennen, niet automatisch reageren en ook de eigen regulatie als ouder meenemen.
Dat betekent niet dat ouders altijd perfect rustig moeten blijven.
Bewust ouderschap is geen perfect ouderschap.
Het betekent dat je steeds beter leert herkennen:
Dit gebeurt nu bij mijn kind.
En dit gebeurt hierdoor bij mij.
Dat kleine stukje bewustzijn creëert ruimte om te reageren in plaats van automatisch te handelen.
Bij slaapproblemen is dat bijzonder belangrijk
Langdurige slaapproblemen putten ouders uit.
En wanneer onze draagkracht kleiner wordt, verandert ook hoe we reageren.
Een kind dat om 14 uur zegt: “Blijf nog even bij mij.”
kan iets totaal anders oproepen dan datzelfde verzoek om 22.30 uur, na een bedtijd die al anderhalf uur duurt.
Daarom kunnen we slaap nooit volledig los bekijken van ouderlijke draagkracht.
De vraag:
“Hoe gaat het eigenlijk met jullie?”
hoort minstens evenveel thuis in een slaapconsult als:
“Hoe laat doet je kind zijn dutje?”
De oplossing is daarom niet noodzakelijk nóg een techniek
Soms is een praktische aanpassing precies wat nodig is.
Een later bedtijdstip.
Een ander dutjespatroon.
Meer buitenlicht en beweging overdag.
Minder tijd in bed proberen doorbrengen.
Een voorspelbaarder avondritueel.
Een andere manier van reageren bij nachtelijk wakker worden.
Maar zo'n interventie krijgt pas betekenis wanneer we begrijpen waarom we ze inzetten.
In plaats van alleen te vragen: “Wat moeten we doen?” Is het daarom vaak veel waardevoller om eerst te vragen: “Wat gebeurt hier eigenlijk?”
Wanneer ontstaat het probleem?
Wat gebeurt er vlak ervoor?
Hoeveel slaapt het kind werkelijk?
Hoeveel tijd proberen ouders slaap te creëren?
Welke signalen worden geïnterpreteerd als vermoeidheid?
Wat gebeurt er wanneer een kind protesteert?
Hoe reageert de ouder daarop?
Wat doet die reactie vervolgens met het kind?
Welke verwachtingen leven er rond slaap?
Hoeveel draagkracht is er op dit moment binnen het gezin?
Pas wanneer we dat begrijpen, kunnen we bepalen welke verandering waarschijnlijk echt verschil zal maken.
Theorie moet uiteindelijk zichtbaar worden in kleine momenten
“Responsief reageren” kan bijvoorbeeld betekenen:
Ik zie dat mijn kind verdrietig is wanneer ik vertrek. Ik hoef dat verdriet niet onmiddellijk te stoppen. Ik kan het erkennen en tegelijk een duidelijke grens behouden.
“Verbinding” kan betekenen:
Ik probeer niet alle verbinding van de dag tijdens het slaapritueel in te halen, maar creëer gedurende de dag kleine momenten van volledige aandacht.
“Co-regulatie” kan betekenen:
Ik probeer niet alleen mijn kind rustig te krijgen. Ik merk ook wat er in mijn eigen lichaam gebeurt en vertraag eerst mezelf.
“Biologische slaap respecteren” kan betekenen:
Ik kijk niet alleen naar wat een schema voorschrijft, maar ook naar hoeveel slaap mijn kind werkelijk nodig lijkt te hebben en wanneer slaap spontaan gemakkelijker ontstaat.
“Grenzen stellen” kan betekenen:
Ik hoef niet aan ieder verzoek tegemoet te komen om verbonden te blijven met mijn kind.
En precies daar zit de vertaalslag die in algemene online informatie vaak ontbreekt.
“We hebben alles geprobeerd” is daarom vaak bijna waar
Ouders die dit zeggen hebben meestal geen gebrek aan informatie.
Ze hebben vaak juist ontzettend veel informatie.
Wat ontbreekt, is iemand die samen met hen onderzoekt:
Welke informatie past bij dít kind?
Welke hypothese klopt hier eigenlijk?
Wat houdt het probleem in stand?
Wat gebeurt er tussen ouder en kind?
En hoe ziet “responsief handelen” er concreet uit op dat moeilijke moment om 20.47 uur?
Goede begeleiding betekent daarom niet noodzakelijk dat we nog meer technieken toevoegen.
Soms betekent het juist dat we stoppen met zoeken naar het volgende trucje.
En opnieuw leren kijken.
Niet alleen naar slaap.
Maar naar ontwikkeling.
Naar regulatie.
Naar verbinding.
Naar context.
En naar ouderdraagkracht.
Want soms ontstaat de grootste verandering niet wanneer ouders nóg iets proberen.
Maar wanneer ze eindelijk begrijpen wat er werkelijk gebeurt.
Bronnen:
Whittingham, K., & Douglas, P. (2014). Optimizing parent-infant sleep from birth to 6 months: A new paradigm. Infant Mental Health Journal, 35(6), 614–623.Beschrijft een ontwikkelingsgerichte benadering van slaap met aandacht voor biologische slaapregulatie, responsieve zorg, context en ouderlijk welzijn.
Ball, H. L., Taylor, C. E., Thomas, V., & Douglas, P. S. (2019). Ontwikkeling en evaluatie van de Possums Infant Sleep-benadering.Onderzoek naar een slaapmodel waarin biologische slaapregulatie, realistische verwachtingen, responsiviteit en het experimenteren met passende strategieën centraal staan.
Crawford, E. et al. (2022). Evaluation of Neuroprotective Developmental Care services.Onderzoek naar NDC/Possums waarbij onder andere veranderingen werden gevonden in ervaren slaapproblemen, ouderlijke slaaptevredenheid en ouderlijk welzijn.
Duncan, L. G., Coatsworth, J. D., & Greenberg, M. T. (2009). A model of mindful parenting: Implications for parent-child relationships and prevention research. Clinical Child and Family Psychology Review, 12, 255–270.Een belangrijk model rond aandachtig aanwezig zijn, emotioneel bewustzijn, zelfregulatie en niet-oordelend reageren binnen ouder-kindinteracties.
Mindell, J. A., & Williamson, A. A. (2018). Benefits of a bedtime routine in young children: Sleep, development, and beyond. Sleep Medicine Reviews, 40, 93–108.Onderbouwt de mogelijke voordelen van consistente bedtijdroutines, als onderdeel van een bredere slaapcontext.
Tsabary, S. (2010). The Conscious Parent: Transforming Ourselves, Empowering Our Children. Namaste Publishing.Een klinisch-filosofisch kader rond bewust ouderschap, waarin ouders worden uitgenodigd om niet alleen het gedrag van hun kind te bekijken, maar ook hun eigen verwachtingen, triggers en automatische reacties.




Opmerkingen